Boterhandel in Best

De beste boter komt van “De Beste Boter” uit Best.

Boterhandel.
Alle zuivelproducten komen vandaag de dag uit de koeling van de supermarkt. Vooral de jeugd uit de stad weet niet beter of dat is altijd zo geweest, maar het tegendeel is waar. Nu is er een keur aan boter, kaas, melk, yoghurt en tal van andere soorten zuivel. Tot ca. 1950 was die keuze vrijwel beperkt tot wat soorten kaas, boter, karnemelk en melk. Het was toen al de zuivelindustrie die deze producten fabriceerde. Een eeuw daarvoor lag dat anders. De Brabantse boer, die over het algemeen een gemengd bedrijf voerde, had ook enige koeien. De geproduceerde melk verkocht hij aan particulieren en de melk die overbleef, werd op de boerderij met de karnton verwerkt tot boter.
Die moest natuurlijk verkocht worden en dat gebeurde op de markt in Den Bosch of aan de rondtrekkende handelaren die de boter bij de boer opkochten. Dat waren echter echte pingelaars en de boeren hadden met die handelaren dan ook niet veel op. Een andere mogelijkheid was om de boter te verkopen of te ruilen tegen levensmiddelen bij de plaatselijke winkeliers, maar bij die ruil was de boer de mindere, omdat hij maar één product aan te bieden had en hij moest dan ook vaak met een minder aantrekkelijke prijs genoegen nemen.

De botermijn.
Die voor de boeren ongunstige situatie veranderde in 1866 toen de Bestse gemeenteraad besloot om een weekmarkt en botermijn in te stellen. De botermijn vond elke week op dinsdag plaats bij een van de vele herbergen en begon om 8.00 uur. De eerste keer in de Vleut, de tweede keer aan de Steenweg en zo kwam bij loting elke wijk in Best aan de beurt. De herbergiers zouden vrijdags door loting uitmaken waar de volgende botermijn zou plaats hebben en organiseerden daardoor in feit de botermijn. Omdat de herbergiers vooral aan het bier dachten dat ze tijdens zo’n botermijn konden tappen, kwam het beheer van die botermijn in de verdrukking. Het gevolg was dat burgemeester A. van Abeelen en wethouder J.C. van de Ven zelf de boter gingen wegen. De burgemeester en zijn wethouder hadden al snel genoeg van dat karwei, want zij hadden wel iets anders te doen. In zijn vergadering van 28 februari 1867 besloot de raad dan ook om “de botermijn onder toezicht van het bestuur geheel aan den secretaris en den veldwachter over te laten”. De exploitatie van de botermijn werd bij raadsbesluit van 13 december 1867 publiekelijk verpacht. De pachter van de botermijn mocht dan op zijn beurt een kleine vergoeding vragen aan de mensen die hun boter te koop aanboden om zo de pachtprijs terug te verdienen. Dat bleek op den duur geen succes en op 2 september 1873 besloot de gemeenteraad om de organisatie van de botermijn maar over te laten aan de winkeliers en de boerenstand. Ook dat werd geen succesformule en daarom besloot de raad om met ingang van 1875 de botermijn weer onder de herbergiers te verpachten.
Terwijl de botermijn in andere gemeenten wel goed liep, bleef het in Best kwakkelen. Dat leidde in 1889 tot de conclusie van de raad, dat de botermijn in 1889 “zeer is verflauwd” en dat die in 1890 helemaal stil is komen liggen. In dat jaar werd die dan ook opgeheven.

De eerste boterfabriek.
Dat de botermijn in tegenstelling tot andere plaatsen in Best op den duur niet floreerde, vond zijn oorzaak in de concurrentie van Arnoldus de Wert (1840-1897), die in 1873 in het centrum van Best een boterfabriek oprichtte. Hij ging melk opkopen van de boeren om er in zijn fabriek boter van te maken. Die boter werd dan verpakt en verkocht en zelfs geëxporteerd. De boeren moesten wennen aan het idee om de melk af te leveren bij een boterfabriek in plaats van er zelf boter van te maken. In het begin aarzelden de boeren dan ook, maar na verloop van tijd gingen er steeds meer hun melk leveren aan die fabriek en volgens het gemeentelijk jaarverslag over 1889 leverden in dat jaar bijna alle Bestse boeren hun melk aan de boterfabriek van Arnoldus de Wert. Eigenlijk kon niet van een fabriek worden gesproken, omdat tot 1896 de boter nog met de hand werd gemaakt door vier mannen en twee vrouwen.
In 1896 stopte dat handwerk, want toen werd er een echte stoommachine geïnstalleerd en daarmede was de boterfabriek het eerste bedrijf in Best waar machines met stoomkracht werden aangedreven. Die stoomketel werd in 1900 vervangen door een nieuwe. De oorzaak van deze snelle vervanging is onduidelijk. Waarschijnlijk heeft men tijdig willen moderniseren of het aantal p.k.’s willen vergroten.

De boteroorlog.
In 1897 overleed Arnoldus de Wert. Zijn zoon Adrianus de Wert (1875-1922) volgde hem op als directeur van de boterfabriek. Die kreeg echter al snel te maken met het feit dat de boeren niet meer individueel opereerden maar georganiseerd. Dat leidde in Best op 18 oktober 1896 tot de oprichting van een eigen afdeling van de Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond. Begin 1900 leidde de organisatie van de boeren in veel dorpen ook tot de oprichting van diverse coöperatieve zuivelfabrieken. Mogelijk mede als gevolg van het feit dat de boterfabriek de melkprijs zelfstandig vaststelde, wat ongenoegen gaf bij de boeren, trokken de boeren het initiatief naar zich toe en richtten in Best twee coöperatieve roomboterfabriekjes op, die ieder twee man personeel hadden. In Aarle en Naastenbest werden in 1898 40 boeren lid van de Coöperatieve Roomboterfabriek “Amalia” , die gevestigd werd in het huidige pand Oirschotseweg 98. De boeren in het centrum en in de Vleut leverden sedert 1899 hun melk aan een fabriekje langs de rijksweg.
Er volgde een ware “boteroorlog” tussen de coöperaties van de boeren en de boterfabriek van Adrianus de Wert. Deze laatste probeerde samen met andere boterfabrikanten te voorkomen, dat de coöperaties van de boeren boter mochten verkopen met het in 1904 ingevoerde Rijksbotermerk. Die coöperaties waren volgens De Wert alleen maar opgericht door boeren, die hun melk niet kwijt konden vanwege de mindere kwaliteit. De boeren raakten hun grote concurrent bijna kwijt toen er op 30 januari 1904 brand uitbrak bij de boterfabriek van De Wert, die voor een aanzienlijk deel werd verwoest en waarbij grote voorraden boter verloren gingen. De zaak werd echter opnieuw opgebouwd en er kwam weer een nieuwe stoommachine om de machines aan te drijven.
Uiteindelijk won de veel grotere boterfabriek van de Wert de plaatselijke “boteroorlog” en dat betekende, dat de twee coöperaties respectievelijk in 1910 en 1914 verdwenen. De melk ging voortaan weer naar de boterfabriek van De Wert, maar ook naar de in 1914 opgerichte Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “St. Odulphus” in Oirschot.
De spoorlijn werd de scheidslijn voor de leverancies van melk. De boeren ten oosten daarvan leverden hun melk aan de roomboterfabriek van Adrianus de Wert en de boeren ten westen daarvan aan de nieuwe zuivelfabriek in Oirschot. Daardoor won Adrianus de Wert de “boteroorlog” in feite maar voor de helft. Het aantal liters melk dat de boeren aanleverden was onvoldoende om de fabriek volop te laten draaien, waardoor de boterfabricage verminderde. Hij compenseerde dat door elders meer boter te kopen en te verwerken voor de handel en export.

De Wert gaat online.
Om die handel en export goed te kunnen runnen was het noodzakelijk, dat er in Best een telegraaf en telefoon kwam. Boterhandelaar Adrianus de Wert richtte daarom op 4 juli 1907 een rekest aan de gemeenteraad om te bevorderen, dat er op het hulppostkantoor aan de huidige Nieuwstraat een hulptelegraaf- en telefoonkantoor zou komen. Brievengaarder Theunissen was bereid daarvoor een ruimte op het hulppostkantoor in te richten als de gemeente daarvoor jaarlijks f. 165,– betaalde en hij voor het rondbrengen van de telegrammen binnen de bebouwde kom nog eens f. 85,– zou ontvangen. De gemeente kreeg daarvoor van het rijk 10 cent per besteld telegram en met Adrianus de Wert werd overeengekomen, dat zolang de bijdrage van het rijk de kosten niet zouden dekken hij het ontbrekende bedrag zou bijpassen. Toen alles rond was kwam er een kink in de kabel. Brievengaarder Theunissen kwam terug op zijn toezegging, maar bovendien moest hij door de langere openingstijden van het hulptelegraaf- en telefoonkantoor langer werken dan acht uur en dat mocht niet.
De Wert was de gang van zaken beu en kreeg het voor elkaar, dat Alphons Cras in zijn woning een kamer beschikbaar stelde voor de vestiging van het hulptelegraaf- en telefoonkantoor voor dezelfde vergoeding als eerder met het rijk was afgesproken. Dat kantoor werd op 1 mei 1909 opengesteld. De openingstijden waren van 7.30 tot 12.30 uur en van 13.30 tot 20.00 uur. Adrianus de Wert kon zijn boter nu op een snellere manier exporteren. Hij kreeg de eerste telefoonaansluiting in Best en op het briefpapier prijkte met trots telefoonnummer 1. Deze situatie duurde voort tot H. Cornelissen postkantoorhouder werd in Best en in 1926 aan de Nieuwstraat een nieuw huis bouwde met daarin kantoorruimte voor een hulppostkantoor annex hulptelegraaf- en telefoonkantoor. In dat pand is nu makelaar Ed Willems gevestigd.
Vanwege de Eerste Wereldoorlog lag de boterhandel vrijwel stil, maar dat werd opgevangen door het bouwen van een bedrijfshal voor het drogen van groenten en uien, zodat het personeel toch aan het werk kon blijven. Veel Bestenaren verdienden er toen een centje bij door uien te schillen.

Goed licht, allicht.
Bij de Wert gingen ze met de tijd mee en in 1917, toen iedereen nog een petroleumlamp gebruikte om het huis spaarzaam te verlichten, gingen ze bij de boterfabriek zelf elektriciteit opwekken om de fabriek en het kantoor te kunnen verlichten. Er werd ook een leiding doorgetrokken naar het in de nabijheid gelegen gemeentehuis, zodat de ambtenaren als het donker werd hun dossiers konden bestuderen bij een elektrisch peertje. Blijkbaar was toen een felle ruzie tussen de gemeente en de moeder van de directeur van de boterfabriek over een belastingaanslag uit 1908 weer bijgelegd. Die service bleef de boterfabriek aan de gemeente verlenen tot 1 januari 1921. De gemeente richtte per die datum een eigen
elektriciteitsbedrijf op en toen werd de boterfabriek op zijn beurt klant van de gemeente voor de levering van elektriciteit.

“De Beste Boter”.
Adrianus de Wert kreeg te maken met een slepende ziekte. Hij wilde nog het een en ander regelen en zette op 1 oktober 1921 zijn bedrijf om in een naamloze vennootschap met de veelzeggende naam N.V. Roomboterfabriek “De Beste Boter”. Het lijkt er wel op, of hij met een herinnering aan de door hem gevoerde “boteroorlog” kort voor zijn dood met de naam “De Beste Boter” nog eens blijvend wilde duidelijk maken, dat hij de beste boter fabriceerde.
Toen Adrianus de Wert op 5 mei 1922 stierf, volgde zijn enige zoon Arnoldus (1904-1989) hem op 19 jarige leeftijd op. Hij werd eerst procuratiehouder en vervolgens directeur van “De Beste Boter”. Hij was het die het bedrijf een facelift gaf en in 1925 een nieuw kantoor liet bouwen. Het oude kantoor annex kruidenierswinkel brak men hiervoor af. De boter werd in vaatjes vervoerd.

Koelcellen.
Omdat de handel in boter steeds belangrijker werd en de boter koel bewaard moest worden, bouwde het bedrijf een koelruimte, die in de loop der tijd steeds werd uitgebreid. Er waren in die tijd nog geen koelmachines, maar de oplossing om de boter toch koel te houden was even simpel als efficiënt. Als de winter aanbrak en er voldoende ijs op de vele vennen lag tussen Best en Son, trok het voltallige personeel naar die vennen om ijs te kappen. De ruimte tussen de twee muren van de koelcellen werd dan volgestopt met ijs. Met dat ijs en een isolatie van turf wist men ook gedurende de zomer een temperatuur van nul graden te bereiken en die is ideaal voor het opslaan van boter. In de zomermaanden zal men voor die koeling aanvankelijk wel staven ijs gekocht hebben in Eindhoven. Sedert 1926 kon men zelf staven ijs maken, omdat Arnoldus de Wert toen een ijsmachine aankocht. De slagers in Best kochten regelmatig ijs bij De Wert om hun vlees te koelen, want de koelkast was in die tijd nog geen gemeengoed. Later namen grote koel- en vriesmachines de taak van de ijsblokken over en dat betekende weer uitbreiding van de bestaande vriescapaciteit. Allerlei producten, zoals halve varkens, verdwenen voor korte of langere tijd bij “De Beste Boter” in de diepvries net als hazen en konijnen, die de poeliers met kerstmis wilden verkopen. De exploitatie van koelhuizen werd toen een bedrijf op zich.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelden de vriesruimten van de boterfabriek een speciale rol. Het Departement van Voedselvoorziening in Oorlogstijd liet toen 350.000 kilo stamppot maken van andijvie en diverse koolsoorten en die invriezen bij de boterfabriek. Toen de Bestenaren in verband met oorlogshandelingen na een gedwongen evacuatie in oktober 1944 weer naar huis terugkeerden en er vrijwel niets meer te eten was, konden zij terugvallen op de voorraden stamppot van de boterfabriek.
A. de Wert kon er als directeur van de boterfabriek van genieten, dat hij de mensen uit Best en omgeving te eten kon geven, maar anderzijds moest hij constateren, dat zijn fabriek en de koelcellen als gevolg van de bombardementen in september en oktober 1944 danig waren beschadigd. Het lukte hem echter om de nodige vergunningen te krijgen voor een snelle wederopbouw van het bedrijf. Het kopen van boter en het verpakken of inblikken daarvan voor de consument en de handel kon weer worden opgestart en Arnoldus de Wert probeerde zijn positie op de exportmarkt weer te veroveren. Daarnaast werd geld verdiend met de exploitatie van de vrieshuizen.

Wereldhandel.
In 1965 trouwde dochter Marijke de Wert met Drs. A. Ibes en die ging zijn schoonvader Arnoldus de Wert steeds meer vervangen bij het runnen van het bedrijf. Hij werd uiteindelijk directeur en eigenaar van “De Beste Boter”. Elke generatie bij de boterfamilie de Wert voegde iets toe aan het bedrijf en dat deed ook A. Ibes. Hij begon in 1965 met het laten vervaardigen van boterolie. Bij het smelten van de boter werden dan bepaalde stoffen toegevoegd, waardoor de boter veel langer houdbaar was. Deze “boter” ging de hele wereld over. De productie van die boterolie gebeurde overigens niet in Best, maar bij Société Industrielle des Beurre in het Belgische Vilvoorde, waarin “De Beste Boter” belangen had. Op 7 december 1972 werd de N.V. Roomboterfabriek “De Beste Boter” omgezet in een B.V. met dezelfde naam.
Bij het 100 jarig bestaan in 1973 was “De Beste Boter” geen fabriek meer waar men boter maakte. Het bedrijf in Best hield zich alleen nog maar bezig met de handel in boter en de export daarvan en had toen een omzet van 30.000 ton per jaar. Directeur Drs. A. Ibes bracht alleen vraag en aanbod bij elkaar en een groot deel van de verhandelde boter kwam niet eens in Best.

“De Beste Boter” verdwijnt.
In februari 1983 werden de gebouwen van “De Beste Boter” gesloopt. Die waren inmiddels verkocht aan Amro-Projectontwikkeling B.V. in Amsterdam, die op dat terrein het winkelcentrum bouwde, dat de toepasselijke naam “De Boterhoek” kreeg. Het kantoor van “De Beste Boter” verplaatste men naar het voormalige kantoor van de Rabobank aan de Kerkstraat. Het “koetshuis” met bijbehorende tuin, die voor twee derde eigendom waren van “De Beste Boter” en voor een derde van de heer Ibes, waren ondergebracht in de Beheer- en Exploitatiemaatschappij Best B.V..
Het koetshuis was van oorsprong ook een echt koetshuis. Adrianus de Wert was een grote liefhebber van paarden en koetsen en daarom liet hij bij zijn riante villa tegenover de boterfabriek een koetshuis bouwen. Daarin stonden zijn paarden en werden in de tijd dat er nog geen auto’s reden in Best de koetsen gestald. Sjef van den Berk, die naast de boterfabriek woonde, was zijn koetsier. De familie de Wert kocht als eerste in Best een auto en die kreeg natuurlijk een plaatsje in het koetshuis. Sjef van den Berk werd in plaats van koetsier particulier chauffeur.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vorderden de Duitsers het grote huis van de familie de Wert om er hun plaatselijk hoofdkwartier in te vestigen. Omdat zij bij de nadering van de bevrijding in oktober 1944 hun administratie en andere belangrijke documenten niet op tijd konden verbranden, bliezen zij dat huis maar op. Betsie de Wert liet het koetshuis verbouwen en ging daarin wonen. In de prachtige tuin bij het koetshuis lieten honderden bruidsparen hun bruidsreportage maken.
De gemeenteraad besloot op 30 juni 1986 het koetshuis en de 4913 m2 grote tuin aan te kopen voor en bedrag van f. 570.000,– en daar “De Koetshuistuin” aan te leggen. Het grootste deel van dat bedrag werd gefinancierd met een extra uitkering uit het Gemeentefonds die de gemeente ontving omdat zij in december 1985 het inwoneraantal van 20.000 bereikte. De handelsactiviteiten van de B.V. Roomboterfabriek “De Beste Boter” werden per 1 januari 1986 gestopt. De internationale handel in boterproducten was toen niet langer lonend. De heer Ibes legde zich tot aan zijn dood in 2002 toe op andere activiteiten in het bedrijfsleven. Alleen het winkelcentrum “De Boterhoek”, het beeld van de karner en de “Koetshuistuin” herinneren nog aan wat eens “De Beste Boter” was.

Kees van den Biggelaar